1300 tekens #17

‘Staan mijn ogen op half acht?’ Spontaan schiet ik in de lach bij deze vraag van Amber (7). Ze ligt op de ‘Jan, Jans en de kinderen-bank’ onder een dekentje. Haar ogen lodderig en moe. ‘Ik voel me echt niet lekker. Nu heb ik naast keelpijn ook nog buikpijn’ zegt ze. ‘Het was misschien toch niet zo’n goed idee om net zonder jas buiten te spelen.’ Ik ga bij haar zitten op een krukje, nog steeds lachend vanwege haar opmerking. Korte tijd daarvoor had ik tegen haar gezegd dat ‘haar ogen op half zeven’ stonden. ‘Wat betekent dat nu weer?’ had ze gevraagd, onderwijl haar gezicht fronsend. Ik blijf het zo grappig vinden om mee te maken hoe haar hoofd zich steeds meer vult met woorden en uitdrukkingen die voor ons als volwassenen zo vanzelfsprekend zijn. ‘Weet je waar ik heel veel goede herinneringen aan bewaar?’ vraag ik haar. Ze schudt haar hoofd. ‘Op precies deze bank lag ik vroeger ook als kind als ik niet lekker was. Dan maakte mijn moeder een heerlijk bed op en vertroetelde ze me de hele dag met lekkers en drinken. Zo fijn vond ik dat.’ En ik herinner me hoe ik ooit tijdens de Olympische Winterspelen een week lang thuis met griep lag. Genietend van alle mooie beelden op tv en de liefde en aandacht van mijn moeder. Een generatie verder speelt hetzelfde tafereel zich nogmaals af